De noodzaak van improviseren

Voor leerlingen die elektrisch gitaar spelen kan improviseren gemakkelijker een onderdeel van de dagelijks oefenroutine zijn, dan voor leerlingen die hoofdzakelijk bezig zijn met klassieke muziek. De elektrische gitaar en staal-snarige akoestische gitaar zijn vaak een onderdeel van een groter geheel (een band, combo, sing-a-song), terwijl de klassieke gitaar meer een individueel karakter heeft.

Je kunt je de vraag stellen of improviseren zin heeft voor leerlingen die zich richten op spelen van klassieke of bestaande muziek, waar het juist gaat om de uitvoering van de muziek zoals die genoteerd staat. Of… is er misschien toch een noodzaak?

 

Verzin eens iets…

Twee Amerikaanse onderzoekers (Charles Limb en Allen Braun) hebben onderzoek gedaan naar de hersenactiviteit bij het creatieve proces dat ontstaat bij muzikale improvisatie. Zij waren geïnteresseerd in hoe deze tot stand komen en wat de psychologische effecten zijn.

Om de hersenactiviteit te meten onderwierpen zij een aantal jazzmusici aan een onderzoek, waarin een MRI scan liet zien welke delen van de hersenen geactiveerd werden bij de verschillende testen. Deze testen bestonden uit:

  • Het spelen van een toonladder binnen 1 oktaaf op en neer in kwartnoten (de gecontroleerde conditie)
  • Het spelen van een improvisatie met diezelfde toonladder, ook in kwartnoten (de geïmproviseerde conditie)

Omdat improviseren op deze manier geen raketgeleerde vraagt, hebben de onderzoekers een tweede, meer geavanceerde test gedaan. De musici mochten nu improviseren op een jazzthema.

  • De eerste keer volgens een ingestudeerde vaststaande melodie.
  • In het tweede rondje moest vrij geïmproviseerd worden op dezelfde vaststaande melodie.

Een fijn stukje hersenen

Wat gevonden werd naar aanleiding van het bovenstaande onderzoek was op zijn minst bijzonder. Voordat ik vertel wat de resultaten precies waren, moet je weten dat verschillende delen van de hersenen verschillende functies hebben. Het voorste deel, de frontale cortex, is belangrijk voor intelligente wezens zoals wij zelf (nou ja… de meesten van ons). De frontale cortex is waar onze persoonlijkheid en emoties huizen, waarmee wij beslissingen nemen, plannen maken en problemen oplossen. Maar ook onze creativiteit heeft een plaats ergens in deze frontale cortex. Daar hebben we direct de tegenstelling. Plannen maken en creativiteit lijken elkaar in de weg te zitten. Spontane creatieve uitingen kunnen amper gepland worden.

De resultaten

De onderzoekers zagen in hun resultaten dat er sprake was van in- en uitschakeling van delen van de hersenen bij de verschillende tests. Spelen uit het hoofd activeert andere regionen in het brein dan wanneer iemand er fijn op los improviseert. Dat op zich is al een interessant stukje informatie naar de mensen toe. Maar wat specifiek opviel was dat de activering van hersendelen reciprocaal was. Dat wil zeggen dat de gebieden die geactiveerd werden tijdens het spelen van ingestudeerde melodieën, uitgeschakeld werden bij het improviseren en andersom.

Het deel van de frontale cortex dat zorgt voor probleemoplossing, planning, geweten, e.d. (de zogenaamde dorsolaterale f.c.) wordt min of meer uitgeschakeld bij het improviseren. Het deel van de frontale cortex dat zorgt voor creativiteit, zelfexpressie en fantasie (mediale f.c.) wordt ingeschakeld (gestimuleerd).

Zijn we er nog? Neemt u gerust een kopje koffie.

Met deze resultaten in het vizier zou je kunnen aannemen dat het ‘uitschakelen’ van het deel van de hersenen dat zorgt voor die zelf-monitoring en evaluatie van inkomende prikkels ons bevrijdt. Het geeft ons de ruimte om spontane ongeplande creatieve uitingen te laten ontstaan, die anders verborgen zouden blijven. Sterker nog.

 


Er gaan stemmen op die beweren dat mensen die vaak improviseren daardoor creatiever zijn in het algemeen (of in ieder geval meer potentie tot creativiteit laten zien) dan mensen die niet of nauwelijks iets aan improvisatie doen. Kort door de bocht, maar niet ondenkbaar…


 

Conclusie

De verschillen in hersenenactiviteit werden zowel bij zeer eenvoudige improvisatie als bij improvisatie op hoger niveau gemeten. Het niveau waarop geïmproviseerd wordt is dus niet belangrijk. Misschien moet in het beginonderwijs het hele woord ‘improviseren’ niet genoemd worden, omdat het eenvoudigweg te intimiderend klinkt. Ook daar ligt een taak van de docent(e) om ingewikkelde concepten begrijpelijk over te brengen op het denkniveau van de leerling, om een initiële afkeer van improviseren te voorkomen.

Beginnen met improviseren kan moeilijk zijn, voor zowel de leerling als de docent(e). Misschien moet je gewoon beginnen. Ik zelf besteed veel aandacht aan improvisatie in mijn praktijk en zie leuke resultaten.

Geraadpleegde bronnen: Charles J. Limb/Allen R. Braun – Neural Substrates of Spontaneous Musical Performance: An fMRI Study of Jazz Improvisation. Noa Kageyama – Why Improvisation Should Be Part of Every Young Musician’s TrainingMolly MacAdams – What Are the Functions of Frontal Lobe of Brain?